passer
voorbijganger; iem. die langs komt; iem. die iets doorgeeft
Nederlandstalige uitleg voor Franse woorden.
voorbijganger; iem. die langs komt; iem. die iets doorgeeft
combineren, tegenoverstellen
(spitse) toren
moeite nemen; hinderen; lastig vallen
gelukzalig verklaren
leggen, plaatsen of schuiven tussen, sandwich klaarmaken
stok; stuk; stam
Recursie
scheld-, spotnaam; bijnaam
miniatuur