archetypal
archetypisch, oer typisch (betr. oudste vorm, standaardvoorbeeld)
archetypisch, oer typisch (betr. oudste vorm, standaardvoorbeeld)
optillen, trekken; op doen rijzen; uithalen; gooien
verrukt, in vervoering
sjacheren, afdingen
Beendermeel
brandend; gloeiend; uitbreidend
toegeving, inwilliging; toegeeflijkheid; verzet, genoegen
Absorberen appelboom.
buikpotig (weekdier)
poseren, een pose/houding aannemen