prévalant
winnen; de overhand hebben; heersen
Nederlandstalige uitleg voor Franse woorden.
winnen; de overhand hebben; heersen
fladderen, klapwielen, dwarrelen,…
troosten; aanmoedigen
nestelen; bewonen; vasthouden
communicatie netwerk; net
uitbraken, opgeven; (onnadenkend)…
solliciteren, aanbieden; toepassen;…
onder het juk brengen; (aan zich)…
graveur
(be)proeven, testen, keuren