uniforme
eenvormig, uniform; vast, permanent
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
eenvormig, uniform; vast, permanent
eentonig gezang (geluid, spreken); eentonigheid
koffiekamer; inkomsthal
samenvatten, beknoppen
plank; platte rand; uitsteeksel;…
industrialiseren
zeldzaam; ijl; uitstekend; halfgekookt (vlees)
bulletin
krankzinnig, waanzinnig; gek; kwaad
tango dansen (paardansen)