bon
goed, mooi (uit het Frans); gedeelte van de samenvoeging “bon vivant” (iemand die pleziertjes naloopt, feestganger)
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
goed, mooi (uit het Frans); gedeelte van de samenvoeging “bon vivant” (iemand die pleziertjes naloopt, feestganger)
slaafs, onderdanig, kruiperig
progresief van gedachte; verdraagzaam, tolerant; edelmoedig; overlopend (van); liberaal
de ark van Noach
op interresante wijze
pudding; pasteitje; toetje
nar, grapjas; joker (in kaartspel)
orthodox, conservatief, conventioneel,…
autonooms, soeverein
veranderen; wijzigen