fade
verbleken,; dimmen; verwelken, verleppen; verlopen; verschieten
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
verbleken,; dimmen; verwelken, verleppen; verlopen; verschieten
slalom (bij ski)
graniet
klokkeluider; tolbaas, tollenaar; bel
ongeraffineerd ijzer of ruw ijzer met magnesium
Frank (munt eenheid, Franse munt, Zwitserse munt)
Ovaal
Want
moment; ogenblik; belang
aantekening; notatie; noot