steak
biefstuk, steak, plak, lap vlees; (vis)moot (barbecuevlees)
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
biefstuk, steak, plak, lap vlees; (vis)moot (barbecuevlees)
origineel; echt; geloofwaardig; betrouwbaar; natuurlijk; direct; eerlijk
Hollands, van Holland
komiek
ordenen; bestellen; bevelen; leiden
praline (snoepje)
belasting, tol; prijs; bloedbad; (het) luiden (van de klok)
puffen, hijgen, blazen
terminus (in de romeinse mythologie-god van eigenschappen en vergezichten)
reeks, rij, rang (van stoelen of zitplaatsen)