lose
verliezen; kwijt raken; zich afdoen van; niet begrijpen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
verliezen; kwijt raken; zich afdoen van; niet begrijpen
verloren; kwijt; weg; verdiept (in gedachten)
delen; verdelen; scheiden; afscheid nemen
rennen, stormen; scheuren, stuk gaan; rukken, trekken; verscheuren
slaap-
onwetend; analfabeet; het niet weten; onkundig, onbedreven; is veroorzaakt door onwetenheid
kring, (invloeds)sfeer; baan (v. planeet, elektron, enz.); omloop
Alpha (Griekse letter); (in gecomputeriseerde grafica) alpha, maakt controle over kleurverspreiding met achtergrond of met verborgen voorwerpen mogelijk
Strasbourg, Straatsburg, stad in de Elzas in Frankrijk
pijn, pijn doen, pijn lijden; schrijnen