rub

wrijven; schuren; smeren; laten glimmen

run

rennen, weglopen; laten lopen; een programma starten (in computers); overgaan, laten lopen, beheren; voorbereiden; oprichten; voldoen; waarmaken; doorgaan; lekken; uitkleden; moeite doen

slash

erop inhakken; houwen; snijden; striemen; drastisch verlagen; scherp bekritiseren