zerteilend
( ver ) delen, in stukken delen, uiteendrijven
( ver ) delen, in stukken delen, uiteendrijven
terugbetalen, afbetalen, vergoeden
ironisch
regelen
( altijd ) te laat ( komend ), niet op tijd
( aan ) bellen, schellen
ziel, gemoed, hart, kern
waarderen, schatten, taxeren
figuurlijk, overdrachtelijk, metaforisch
delen, verdelen