antagonise

ophitsen, zich tot vijand maken, doen haten; vijandigheid kweken, iemand tegen zich in harnas jagen; tegenwerken, bestrijden (ook “antagonize”)

jab

steken, porren; stoten, stompen

jag

uitsteeksel, tand, punt; dronkenheid; aanval (eet-, huil-, enz.)

jam

vast (blijven) zitten, blokkeren, vastraken; dringen; jammen; vastzetten, klemmen. knellen