fummelnd
frutselen, friemelen, peuteren, prutsen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
frutselen, friemelen, peuteren, prutsen
vraagwoord
sollicitant
waterarm
onverantwoordelijk, onverantwoord
loopgraaf
mummificeren
leggen op, neerleggen
( be ) schimmelen
godshuis, kerk