treustem
trouw, getrouw
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
trouw, getrouw
onafhankelijk
netwerk
hagelslag, hevige hagelbui
( naar ) beneden komen
bruut, ruw, meedogenloos
( langs gerechtelijke weg ) opeisen
kinderprent, beeldverhaal
uitrusten, toerusten
tacticus