fertigmachten
klaarmaken, gereedmaken, afmaken
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
klaarmaken, gereedmaken, afmaken
onoplettend
ongevraagd, ongenood
vakkundig, deskundig
vorm (e) loos, plomp, log
voltijds, de hele dag, voor hele dagen
ontrouw, trouweloos
roken
snoepen
bundelen, ( in bossen ) binden