praktizierte
praktiseren, praktijk uitoefenen
praktiseren, praktijk uitoefenen
slot-, eind-, finaal
bewijzen, aantonen, het bewijs leveren van, staven
akelig, eng, naar, griezelig
van opzij, zijdelings, zijwaarts, zij-
slaaplied ( je )
innemend, bekoorlijk
ziekenhuis, hospitaal
aanhangsel, bijvoegsel, toevoegsel
vermeend, gewaand