ätzest
bijten, invreten
bijten, invreten
bladerdeeg, feuilletee
afwrijving
mokken, mopperen, pruilen
zonnig
banktegoed, banksaldo
kleden, uitrusten
verantwoorden, rechtvaardigen, rekenschap geven van
suf ( fig ), verstrooid, nonchalant, slordig
verbitterd