vergehend
vergaan, voorbijgaan
vergaan, voorbijgaan
om ( ver ) gooien, om ( ver ) werpen
wereldbeschouwelijk, levensbeschouwelijk
( op ) vullen, volstoppen
op een vak ( gebied ) betrekking hebbende
negeren, ontkennen
proefexemplaar, presentexemplaar
maniërisme
het optreden, het opkomen
gratie, bevalligheid