persönliches
persoonlijk, individueel, privé
persoonlijk, individueel, privé
waarderen, schatten, appreciëren, beoordelen
ontspringen, zijn oorsprong hebben
beliegen, liegen tegen
bibberen, rillen
stichtelijk
gekloofd, gespleten
( fijn ) gevoelig, fijnbesnaard
uil
overstappen, overschakelen