untrügliches
onbedrieglijk, onfeilbaar, zeker, onmiskenbaar
onbedrieglijk, onfeilbaar, zeker, onmiskenbaar
bekritiseren, kritiek uitoefenen, afkeuren
( stuip ) trekken, trillen
zurig, zuurachtig, rins, wrang
stempelen, werkloos zijn
opvallend, frappant
geldomloop, geldcirculatie
dateren, bestaan
( tijdelijk ) ophouden, stokken, pauzeren
volgens plan, weloverwogen, systematisch