zusammenbrachst
in ( een ) storten, ineenzinken, bezwijken
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
in ( een ) storten, ineenzinken, bezwijken
fietsen
toorn, kwaadheid, drift, woede
accountant, revisor
op afstand besturen, draadloos besturen
eufemistisch, verbloemend
overgaan, overlopen
tarwe
in de rui zijn, ruien
verstuiven, ( ver ) sproeien