Austreibens
uitlopen, uitbotten, uitspruiten, uitschieten
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
uitlopen, uitbotten, uitspruiten, uitschieten
wegglijden, afglijden
evacueren
fatsoenlijk, welgemanierd, welopgevoed, net ( jes )
bang maken
een spoor maken
galei
( jammerend ) tieren ( om hulp )
creperen
verharden, hard worden