höchstpersönlich
in hoogsteigen persoon
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
in hoogsteigen persoon
toekeren, toedraaien, toewenden
lijden, ondervinden, ondergaan
crisisbestendig, bestand tegen crises
overtrekken, overdrijven
traag, sloom, onhandig, log, plomp
wegtrekken, verhuizen, vertrekken
levensdoel
( ver ) afgelegen
palaveren, kletsen