ausplündertet
uitplunderen, leegplunderen, uitputten
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
uitplunderen, leegplunderen, uitputten
huldigen
stuiven, ( eraf ) vliegen, rondstuiven, opstuiven
tralierooster
verdampen
dor, uitgedroogd, verdord
samenzweren, conspireren, samenspannen
ontwarren, ophelderen
keelontsteking
compact, dicht