Nachbarschaft
buurt, nabijheid
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
buurt, nabijheid
decoderen, ontcijferen
dynamisch
waarnemen, gewaarworden, ( be ) merken, bespeuren
wijzer, naald
kerngezond
rechtspositie
( wel ) bespraakt, welsprekend
puntsgewijs
zoemen, gonzen, snorren