abrechnen
afrekenen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
afrekenen
samenzweren, conspireren, samenspannen
ontslapen, sterven
veroordelen
knopen, een knoop leggen, binden
ziekachtig, kwijnend, ziekelijk, sukkelend
dobbelen
geluidloos, stil, stilletjes
stromen, golven
bederven, gammel worden