Nichtrauchern
niet-roker
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
niet-roker
opkomen, opgaan, opstijgen, rijzen
licht, niet zwaar, luchtig, lichtjes, lichtelijk
trommelen
banaal
gevangenis, huis van arrest
koppig, stug, weerbarstig, bokkig
deugen, geschikt zijn
geleidend
nazeggen, naspreken, herhalen