abzuschießen
afschieten, afvuren
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
afschieten, afvuren
onverholen, onomwonden, ronduit
evenwichtig, gelijkmatig, regelmatig
vernemen, horen
persen, platpersen
zusterlijk, als ( van ) een zuster
zwendel ( arij ), knoeierij, bedrog, intrige (s), doorgestoken kaart
reischeque, travellerscheque
dierenpark
inwendig, van binnen, innerlijk