zuhörst
toehoren, ( toe ) luisteren
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
toehoren, ( toe ) luisteren
tegenoverstellen, inbrengen tegen
voortdurend, aldoor
verantwoordelijk, aansprakelijk
opscheppen, pochen, pralen
schakelpaneel, schakellessenaar
oudejaarsavond, silvester ( avond )
hoofddoek
onbewogen, ongeroerd, onaangedaan
leguaan, kamhagedis