grenze
grens, begrenzing, grensovergang
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
grens, begrenzing, grensovergang
reusachtig
uitslag
folteren, martelen
zeilen
ge ( vol ) machtigde
beschadigd, defect, geschonden
met een ruk, met horten en stoten, met sprongen
te danken hebben
kalmeren, sussen, paaien, tot bedaren brengen