bejubelten
bejubelen, toejuichen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
bejubelen, toejuichen
bewoner van het ( eigen ) land, autochtone bewoner
imperatief, gebiedende wijs
demonstreren, betogen
zich bemoeien met, zich mengen in
veroveren
zusterlijk, als ( van ) een zuster
dienst, betrekking, baan
sluipjacht
bespreken, spreken over