erfolgt
plaatshebben, gebeuren
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
plaatshebben, gebeuren
uiteenvallen, vervallen, vergaan, verweren
enigszins wrang, zachtzuur, pittig
betoverd
meedoen, meewerken
begeren, wensen, verlangen
zetel van de regering, residentie
dominicaan, predikheer
slaperig, slaapdronken
dakspaan, dakplankje, schindel