aufzuziehend
optrekken, opmarcheren, aanrukken
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
optrekken, opmarcheren, aanrukken
zich verpraten, z’n mond voorbijpraten
meubel ( stuk )
native speaker, moedertaalspreker
wervelen, draaien, tollen
optreden, zich gedragen
formatieplaats
heraut
overbrengen, overmaken, doen toekomen, doorgeven
moeraskoorts, malaria