Austauschs
ruil ( ing ), uitwisseling, verwisseling, vervanging
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
ruil ( ing ), uitwisseling, verwisseling, vervanging
trefzeker richtend
op elkaar bijten
( een handje ) helpen, een handje toesteken
wegblijven ( uit ), niet komen ( naar )
punt van de teen, teentop
Jura, Juragebergte
onbeweeglijk
hinken, mank zijn, kreupel zijn
vehement, heftig, hevig