Zufalles
toeval, toevalligheid
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
toeval, toevalligheid
in elkaar zetten, samenbouwen, monteren
luchtig
misleiden
omzetten, verhandelen, transponeren
bevoelen, betasten
afkraken, afkammen
( aan ) slaan, weerklinken
schaars, karig, schraal, spaarzaam
omgrenzen, aan alle kanten begrenzen