sämtlicher
al ( de ), allemaal, al de, alle (n)
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
al ( de ), allemaal, al de, alle (n)
( aan ) zwarten, zwart maken
tent
vijandig ( gezind ), vol haat
tevreden
nablijven, schoolblijven, nazitten
schoen met hoge hak
snel, vlug, gezwind, ras
traliën, van tralies voorzien
fungeren