widerlegbar
weerlegbaar, te weerleggen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
weerlegbaar, te weerleggen
roes, bedwelming, dronkenschap
geproportioneerd
geldkwestie, geldzaak
springen, ( ont ) ploffen, uiteenbarsten
vogelhuis, volière
indelen, onderverdelen, ordenen, geleden, verdelen
rillen ( van de kou )
bekwamen, in staat stellen
( er ) komen