schneist
sneeuwen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
sneeuwen
slechtgehumeurd, chagrijnig, gemelijk, korzelig
hard, stevig, standvastig
zaadleider
afdwingen, afpersen
vakkundig, vak-
oud ( er ) worden, verouderen
eentonig, monotoon
( wel ) bespraakt, gebekt
onoverwinnelijk, onklopbaar