abbracht
afbreken, breken, stukbreken
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
afbreken, breken, stukbreken
wanorde, verwarring, chaos
kooi, kennel
veelvuldig, veel voorkomend, talrijk
( zeer ) koud, vriezend
( af ) kussen, ( af ) zoenen
sluiten, op slot doen, afsluiten
weerspannig, weerbarstig, ongehoorzaam
rover
omverhalen, omrukken, omvertrekken