stürzten
vallen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
vallen
superioriteit, overwicht, overmacht, meerderheid
werkkamp, strafkamp
( uit ) drogen
dichtspijkeren, dichttimmeren
een miljoen of meer bezittend, schatrijk
slaan, hakken, houwen
spit ( in de rug )
huwen, trouwen
sloffen, schuifelen