zusammenbreche
in ( een ) storten, ineenzinken, bezwijken
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
in ( een ) storten, ineenzinken, bezwijken
met veel inzicht, oordeelkundig
treffend, raak
lang en mager, knokig, schraal
eenzelvig, teruggetrokken, asociaal
nuchter maken, ontnuchteren
schalk, guit, grappenmaker
nood ( op zee )
geigerteller
( ge ) makkelijk, gerieflijk, comfortabel