kleinlaute
beteuterd, bedeesd, schuchter, verlegen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
beteuterd, bedeesd, schuchter, verlegen
dwaas, mal, gek, idioot, stom
opblazen, volblazen
zo goed mogelijk, optimaal
macht, heerschappij, gezag, invloed
opbrengst van de oogst
bepo (e) telen
legitimatiepapieren
verrijken
erdoor komen