promenierte
promeneren, wandelen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
promeneren, wandelen
neerstorten, neervallen
paradox, paradoxaal, ( schijnbaar ) tegenstrijdig
in elkaar zetten, samenbouwen, monteren
suikeren, zoeten, met suiker bestrooien
geestdriftig, enthousiast
aftreden, ontslag nemen
gezellig, prettig, fijn, knus
opleider, instructeur, leerkracht
flaneren, rondslenteren, drentelen