belasse
laten, overlaten aan
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
laten, overlaten aan
sturen, zenden, uitzenden, detacheren, afvaardigen, delegeren
( ere ) woord, belofte
schuilhoek, schuilplaats
eettafel
vol scheuren ( en barsten ), gebarsten, gescheurd
het gezicht verliezen, blind worden
karig, schraal, zuinig
onbezorgd, vrij van zorgen
pluimvee, gevogelte