Legislaturperiode
kabinetsperiode, regeringsperiode, legislatuurperiode
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
kabinetsperiode, regeringsperiode, legislatuurperiode
inbreken
geringschattend, minachtend
ongehoorzaam, niet volgzaam
opstellen, opstapelen, formeren
afgrond
( op ) merken, waarnemen, gewaarworden, bespeuren, ontwaren
luieren, luilakken
voor uitbreiding vatbaar, voor uitbreiding vatbaar
langdradig, langademig, van lange duur