wahr
waar, waarheidsgetrouw, juist
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
waar, waarheidsgetrouw, juist
hinderen, belemmeren, beletten
kompel, mijnwerker
onhandig, lomp, onnozel
kitten, lijmen
vastnagelen, vastspijkeren
uitstappen, uitklimmen
nijdig, afgunstig, jaloers
zo klein ( als ) mogelijk
( af ) leveren, overhandigen, opleveren