pluralem
meervoud ( svorm ), woord in het meervoud
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
meervoud ( svorm ), woord in het meervoud
onderschikken, ondergeschikt maken, onderwerpen
winters, winterachtig, winter-
zich haasten, voortmaken, haast maken
vervanging, waarneming
klaplopen, op iems zak lopen
ander, overig, verder, voor het overige
middagpauze
terugval
houtworm