Auslöser
veroorzaker, oorzaak
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
veroorzaker, oorzaak
overprikkelen
ornament
zijn medewerking verlenen, meewerken, bijdragen
preciseren
in het wilde weg, blindelings
voortijdig, te vroeg, vervroegd
sluw, geslepen, geraffineerd
feliciteren, gelukwensen
zin hebben, begeren