dominierten
domineren, overheersen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
domineren, overheersen
doodkalm, ( dood ) gemoedereerd
blondine, blondje
tegenwoordig, huidig, nu, thans
pollepel, ( op ) scheplepel
hier en daar, plaatselijk, gedeeltelijk
granaat
op de lange baan schuiven
zedig, kuis, ingetogen
ontkiemen, ontspruiten, voortkomen uit