verreistet
op reis gaan
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
op reis gaan
oeroud, eeuwenoud
afstandelijk, koel, terughoudend
kardinaal
tijdruimte, tijdperk, periode
vaccin, entstof
draaiboek
zoetzuur
dandy, fat
( berg ) helling, steile helling, glooiing