gebaut
bouwen, aanleggen
Nederlandstalige uitleg voor Duitse woorden.
bouwen, aanleggen
egaliseren, gelijkmaken
vluchten, op de vlucht gaan, ontsnappen
korten, inkorten, verkorten
annuleren
stekel, doorn
uitgekookt, gehaaid
lankmoedigheid
afschieten, afvuren
inofficieel, officieus